WAAKZAAM EN DIENSTBAAR

Waakzaam

 

‘Recherche, hè?,’ vraagt de vrouw. Ik had haar, een stevige, rossige vrouw op leeftijd met een huid die bezaaid was met even roze pigmentvlekjes, gisterenavond al aan de bar van de politieacademie gezien. Ze wil even bij me komen zitten aan de buitentafel om samen even een sigaretje te roken na het ontbijt, ’s ochtend om half acht. Ik knik uitnodigend. Op de achtergrond zijn ‘snuffelhonden’ al vroeg in de weer, druk op zoek naar contrabande in het struikgewas.

‘Ik hoef aan jou niet te vragen wat jij hier doet,’ opent ze het gesprek. Klaarblijkelijk neemt men het ‘stille’ aspect van een rechercheur hier erg letterlijk. ‘Ik heet trouwens Annette.’

‘Dat is ook niet zo belangrijk,’ antwoord ik haar. ‘Ik heet Rein. Wat doe jij hier?’

We schudden elkaar de hand.

‘Ik zit hier op een mentale weerbaarheidtraining,’ zegt ze met een gretigheid die verraadt dat ze om een luisterend oor verlegen zit.

‘Wat moet ik me daar bij voorstellen?’

Ons gesprek wordt even onderbroken door een twintigtal agenten, uitgedost in hun overvaltenue, die luidruchtig de laatste hand leggen aan het aanrijgen van hun wapenkoppels, hun vuurwapens checken, scheen- en elleboogkappen aansnoeren, hun schilden en helmen beproeven op stevigheid, en haastig een laatste slok koffie wegspoelen. Hun instructeur blaft een kort bevel en in looppas begeven ze zich naar een nagebouwd huizencomplex waar ze een arrestatieprotocol moeten gaan doornemen. Een van hen heeft zijn wapenkoppel over de leuning van een bank laten hangen. In zijn haast vergeten. Zeer onzorgvuldig om zo je wapen met toebehoren te laten slingeren. Het kan de jongen op een stevige reprimande komen te staan.

Annette heeft de koppel ook zien hangen. ‘Vijf minuten?,’ vraagt ze aan mij, alsof ik de bevoegde autoriteit op dit gebied ben.

Ik laat haar maar even in de waan dat ik alwetend ben. ‘Ik geef hem twee,’ zeg ik, ofschoon ik geen idee heb wat ik na het verstrijken van die twee minuten zou moeten doen.

‘Je hebt geen horloge om,’ merkt ze op.

‘Rechtsachter je, op twee uur, hangt een grote klok, met secondewijzer.’

‘’Tuurlijk,’ zegt ze. ‘Recherche.’

‘Maar je had het over weerbaarheidtraining,’ hervat ik ons gesprek. Op een afstandje zie ik een jongen hard aan komen hollen om zijn koppel veilig te stellen, in de hoop, waarschijnlijk, dat niemand anders dat gemis opgemerkt heeft. Hij kijkt ons vragend aan. Met een hoofdknikje geven wij aan dat alles wat ons betreft oké is. Wij zullen niets zeggen. Zichtbaar opgelucht draaft de knul weer terug naar zijn maten. Of zijn instructeur ook zo genadig is, weet ik niet.

Annette legt uit dat ze een teamleider in Middelburg is en dat ze op deze plek met een team uit Tilburg zit om zich mentaal voor te bereiden op de vreselijke dingen die je als politieagent kunt tegenkomen. Tijdens een gesprek dat ik gisterenavond toevallig meekreeg hoorde ik een vrouw tegen haar collega’s zeggen: ‘Waterlijken. Ik weet niet hoe ik daarmee moet omgaan. Ik vind dat zo erg. Ook voor slachtoffers en hun nabestaanden.’ De tranen stonden haar in de ogen. Ik zeg tegen Annette wat ik gisteren hoorde.

‘Ja, ik weet wie je bedoelt, een leuke meid. Voor haar zijn het waterlijken die haar over de rooie jagen. Voor anderen zijn het verkeersslachtoffers, de kinderen die ze ergens dood aantreffen, of de slachtoffers van een zedendelict. Als teamleider moet ik ze weer in het gareel zien te krijgen. En natuurlijk zit er bij de top de overweging om door het geven van zo’n cursus het ziekteverzuim terug te dringen. Dat bespaart uiteindelijk geld. Zo worden we vandaag aangesloten op een EEG en ECG om te kijken welke stress bepaalde beelden opleveren en daarna krijgen we meditatietechnieken aangereikt om onze hartslag naar beneden te krijgen, de stress onder controle te krijgen. Maar daar zit, gelukkig, bij de top ook het besef dat we gewoon mensen zijn die stapels leed over zich uitgestort krijgen. En dat moeten we een plekje geven.’

Waakzaam en dienstbaar. Dat is de wapenleuze van de politie. Plotseling, nu ik naar Annettes relaas luister, voel ik mij nietig worden, pijlsnel afglijdend naar het niveau van een complete oen. Tja, het is waar, voor de waakzaamheid van onze politie heb ik nog geen twee stuivers over. Zo heb ik geen hoge pet op van de kwaliteiten van het politieopsporingsonderzoek, de rechercheurs die ik daadwerkelijk ken onderscheiden zich qua rationele gedragingen niet van dat van de gemiddelde baviaan en de onbesuisde charges van de ME, zoals ik die meemaakte, deden me altijd verbaasd afvragen hoe het kwam dat die mensen nog zo lang konden leven. Bovendien krijgen de knapen van het Nederlands Forensisch Instituut steeds meer de reputatie dat ze een wedstrijdje doen wie het hardste voor de rechtbank kan liegen. Die waakzaamheid, dus, neem ik met een flinke korrel zout. Maar, stom zwijn dat ik ben, dat dienstbare aspect van het politiewerk, daar had ik nog nooit bij stilgestaan, op het memoriseren van de sleetse leuze van de provo’s na: ‘Agenten dienen een vuurtje te geven als je daarom vraagt.’

Annette drukte me met de neus op de harde feiten, de prijs van hun dienstbaarheid. Politiemensen die in zak en as thuiszitten, heftig getraumatiseerd, nadat ze de lijken van kinderen ‘zeker’ moesten stellen voor verder forensisch onderzoek; agenten die de omgeving moeten afzetten na een zelfmoord voor de trein; de duizenden verkeerslachtoffers waarbij geüniformeerde dienders het eerste ter plekke moeten zijn; de slachtoffers die hen als eerste hun gruwelijk verhaal vertellen. Het houdt niet op. Het kan zijn dat van die mensen geëist wordt dat zij met ‘professionele distantie’ hun werk uitvoeren. Helaas gaat ook die kruik net zolang te water totdat hij barst. Waarop kunnen ze dan teruggrijpen? Een driedaagse mentale weerbaarheidtraining klinkt dan opeens zo schamel.

Ik moest weer terugdenken aan de agenten die erbij aanwezig waren toen ik, na een auto-ongeluk, uit het wrak geknipt moest worden. Geen seconde, eigenlijk nooit, waren mijn gedachten uitgegaan naar het wel en wee van de mensen die hun werk te midden van een bloederige brei zo zorgvuldig mogelijk probeerden te doen. Ik schaam me opeens diep voor mijn eerdere kortzichtigheid.

Waakzaam en dienstbaar. Ik zal die woorden voortaan op een andere manier lezen.

‘Succes, Annette. Voor jou en de jouwen.’ Ik weet, het is een armetierige wens, maar wel een gemeende.