POLITIEHOTEL

politieacademie-ossendrecht-goesting

 

Als ik de eerste keer ergens in een hotel overnacht, neem ik, bij aankomst op de kamer, altijd eerst de informatiemap door waarin de huisregels staan vermeldt. Een nuttige handeling, al was het alleen maar om kennis te nemen waar de nooduitgangen zich bevinden en hoe je moet inloggen op het draadloos netwerk. De map die nu voor me ligt, op de schrijftafel van kamer H-2106, bevat wel zeer ongebruikelijke informatie. Zoiets vreemds ben ik nog nooit eerder tegengekomen.

Uit geplastificeerde brochures kan ik opmaken dat het in het hotel ten strengste verboden is om je wapen te dragen, tenzij de amosafe, een soort van extra veiligheidspal, duidelijk zichtbaar groen oplicht, of tenzij ‘er, uit hoofde van uw functie, dwingende redenen zijn om uw vuurwapen bij u te hebben’. Een andere huisregel geeft aan dat je geen patroonhouders of losse munitie op je kamer mag hebben, maar dat deze weggeborgen moeten worden in de wapenkluis of in het wapenmagazijn, respectievelijk aan het begin van de corridor of aan de zuidzijde van het gebouw. En zo handelt de ene folder na de andere over hoe om te gaan met je wapen en de rest van je wapenuitrusting. De laatste richtlijn die ik lees, alvorens me, mismoedig geworden, naar de bar van het hotel te begeven, klinkt het meest onheilspellend. Als ik in het hotel dan toch zo nodig een wapen in mijn hand moet houden, luidt de instructie, dan moet mijn trekkervinger ‘zich in de lengterichting evenwijdig aan de slede bevinden’. Want, bedenk wel, zo gaat de tekst suggestief verder, ‘dat een vinger aan de trekker betekent dat je wilt schieten’.

Zit ik hier in een gekkenhuis of ben ik aanbeland in een geheime trainingsbasis voor maffioso, tevens een shelter voor trigger happy-mafkezen ? Nee, ik bevind mij in het landelijke politiehotel, ergens in het zuiden van het land. Hier bevindt zich het trainingskamp van de Mobiele Eenheid en dat van de bijzondere eenheden, zoals de hondenbrigade, de bereden brigade, de explosievenopruimingsdienst, bijstandsteams, gijzelingseenheden, reddingsteams, en een keur aan andere task forces. Ze komen hier voor de duur van een paar dagen of een week om zich, individueel of in teamverband, te bekwamen in een bepaalde taak, om een applicatiecursus bij te wonen of om hun brevet schietvaardigheid te laten verlengen. Het terrein is dan ook vergeven van de schiet- en stormbanen, kennels en paardenstallen. Er is zelfs een nagebouwd spoorwegstation, compleet met treinstellen, een busstation om gijzelingsacties mee te oefenen, en ‘dorpjes’ waar men guerrillatactieken kan nabootsen.

Onderweg naar de bar valt mijn blik op de stormbaan met bijbehorende torens voor het abseilen. Vooral de hoogste toren nodigt niet direct uit om die gaan te beklimmen vanwege de loopplank die zich, vlak onder de top, vijf meter ver in het luchtledige uitstrekt. Het geval roept bij mij herinneringen op aan de loopplank op een piratenschip waar de ongelukkigen zich vanaf moesten storten.

 

‘Ik zal je een beetje wegwijs maken,’ zegt Piet, een reusachtige, kale en oersterke man, op wiens uitnodiging ik hier ben om morgen een workshop over detentieschade voor de rechercheleergang te geven. ‘Dit terrein is ontzettend groot, een paar honderd hectaren. Op die torens, pal voor onze neus, de hoogste is vijfentwintig meter, trainen we het abseilen, vooral met het oog om onze angst en die van de honden te overwinnen.’

‘De angst van honden?,’ mekker ik schaapachtig.

‘Zeker. Ook die honden moeten mee naar beneden.’

‘Geef je ze een klein parachuutje mee of zo en dan een duwtje in de rug?’

‘Dat zou wat zijn, maar nee. We koppelen ze aan de riem van hun begeleider. En dan hup, naar beneden met zijn tweeën.’

‘En dan zijn ze niet bang meer voor hoogtes?’

‘Nou, dat duurt wel een tijdje, hoor. Sommigen moeten wel tien keer springen voordat ze het een beetje gewend raken.’

‘En sommigen zullen ook er ook nooit aan wennen, denk ik.’

‘Correct. Die kunnen we dus niet gebruiken in politiedienst.’

‘En daar wordt dan een goed alternatief tehuis voor gezocht?’

‘Ja, soms wel,’ antwoordt Piet enigszins raadselachtig. ‘Komaan,’ buldert hij opgetogen, in een poging om een onprettig denkbeeld van zich af te schudden. ‘Laten we naar de bar gaan.’

Bij het betreden van de overvolle bar, houdt Piet me even staande door me bij mijn rechterschouder te pakken. ‘We hadden afgesproken dat je je identiteit nog even geheim moest blijven houden, ja?’

‘Klopt. En dat zal ik ook doen.’

‘Goed zo. Ik zal je even voorstellen aan wat andere hoge piefen die wel mogen weten wie jij bent. Wat wil je drinken?’

‘Ik hou het bij Glen Fiddich.’

‘Met ijs of zonder?’

‘Zeg, wie is hier nou de crimineel?’

‘Oké,’ lacht hij. ‘Zonder ijs dus.’

‘Nu is het mijn beurt voor een rondje,’ zeg ik tegen de politiebonzen. ‘Hoe moet ik afrekenen, want ik zie dat sommigen hun bankpasje aan de barjuffrouw geven, anderen betalen contant en weer anderen mompelen wat en lopen zo weg?’

‘O, je mompelt dat je van de recherche bent, dan weet het barpersoneel genoeg.’

Zielsgelukkig keerde ik terug naar het gezelschap met de drankjes. Ik had slechts even ‘recherche’ hoeven te smiespelen en kreeg alles mee wat ik hebben wou.

‘Waarom ben jij zo blij?,’ vraagt Piet.

Ik kijk de heren aan en zeg: ‘Het is natuurlijk uitermate strafbaar om je valselijk uit te geven voor een politieagent, maar heb altijd zo graag één keer, heimelijk fluisterend, willen zeggen dat ik van de recherche ben.’