POLITIEAGENT

Agent 2

 

Op de openbare school waar de vruchten van mijn lendenen hun tijd slijten met het tot hun nemen van allerlei nuttige wetenswaardigheden en vaardigheden, circuleren sinds geruime tijd de zogenaamde vriendschapsboekjes. Het is de bedoeling dat de sociale omgang van het jongvolk gestimuleerd wordt middels het uitdelen van deze veredelde poëziealbums onder elkaar. Een prima en ook uiterst leerzaam initiatief, zo ondervond ik laatst.

Mijn zoontje had het vriendschapsboekje van een meisje in zijn klas meegekregen waarin hij, aan de hand van voorgestructureerde vragen, aan het papier moest toevertrouwen hoe hij over haar dacht, of aan haar geheimpjes over zichzelf moest verklappen. Een aantal vragen herinner ik me nog, zoals:

‘Wat is je lievelingskleur?’

‘Wat wens je voor mij?’

‘Wie is je grote voorbeeld?’

En: ‘wat wil je later worden?’

Een keur van geheel redelijke vragen, leek mij, waar de kinderlijke onschuld vanaf droop. Op de eerste vraag had mijn zoontje, geheel naar waarheid, ingevuld: ‘blauw’. En ook zijn beantwoording van de tweede vraag stelde me niet voor verrassingen, namelijk: ‘twee miljoen konijntjes op een grote hoop,’ aangezien mijn spruiten, tijdens de toebedeling van dieren en diersoorten aan andere kinderen, nogal kwistig met hoeveelheden omspringen. Toen ik echter zijn antwoord op de derde vraag las: ‘wie is je grote voorbeeld?’, zwol mijn hart van trots, alsof ik voor het eerst een glimp opving van de betekenis van goed vaderschap en wat dat met de inborst van de desbetreffende vader doet wanneer zijn zoon hem op deze manier erkent. Ik las daar, in dat door chocoladevlekken, limonadespetters en restjes kauwgum beduimelde boekje, keurig opgetekend: ‘pappa.’

Ik maakte een vreugdedansje door de kamer en ik had niet blijer kunnen zijn, ook al had ik net te horen gekregen dat ik honderdduizend euro gewonnen had in de Staatsloterij. Yes, daar doe je het allemaal voor.

‘Ho, ho,’ bromde mijn vrouw, met dat karakteristieke tenorgeluid waarmee ze mijn enthousiasme voor een bepaalde zaak zo goed weet te bekoelen. ‘Heb je zijn antwoord op de vierde vraag al gelezen? Nee, hè?’

Met tegenzin trok ik het boekje weer naar mij toe, enigszins huiverig voor wat het lot voor mij in petto hield. Aarzelend sloeg ik de bladzijde open waar mij hoogstwaarschijnlijk een omineus antwoord wachtte op de vierde vraag.

Wat wil je later worden? De vraag was onschuldig genoeg en kende, in zijn vaag- en beknoptheid, wel een miljoen mogelijke antwoorden. Terstond sprongen de tranen in mijn ogen, terwijl mijn hart een aantal seconden oversloeg, toen ik het enkele woord las, met krachtige hanenpoten neergeschreven: ‘politieagent.’

Sodemieters. Politieagent? Heb ik dat snotjong, in zijn babydom, daarvoor niet tien maar wel twintig keer per dag uit de stront gehaald, vond ik het daarom goed dat hij me boven op mijn kop plaste als ik hem kraaiend van pret en poedelnaakt uit het bad tilde, liet ik ooit één protesterend geluid horen als ik hem bij nacht en ontij trouw zijn pufjes gaf toen hij wat last had van zijn ademwegen, waar was mijn gemoedsrust toen ik mij zijn nukken liet welgevallen die nu eenmaal horen bij de kleuterpuberteit, of heb ik hem ooit kwalijk aangekeken vanwege de keren dat hij pappa midden in de nacht uit bed trommelde omdat er monsters onder zijn bed lagen, en heb ik daarom zijn cadeautjes voor de sinterklaas of zijn verjaardag zo goed verstopt dat hij nu, als hij ze terugvindt, er nog steeds plezier aan kan beleven? Voedde, kleedde en verzorgde ik deze adder aan mijn borst jarenlang vergeefs?

‘Zoon,’ stamelde ik ontzet. ‘Ik onterf je, ook genetisch.’

‘Ach wat,’ zei een vriendin, relativerend, bij wie ik nadien even was gaan uithuilen. ‘Hij had ook kunnen antwoorden: politicus.’