DE WERELD VAN EEN KLEINE MAN

‘Wehhhh, pappa moet de gevangenis in.’ Onder het uitslaken van die woorden rende mijn zoontje van zes huilend naar zijn moeder. Het mannetje leek ontroostbaar. Snikkend en schokschouderend zat hij bij mamma op schoot, compleet van zijn stuk door het vooruitzicht dat hij zijn vader zal moeten missen.

‘Ja, maar hij komt daar vanmiddag ook weer uit, hoor. Hij gaat daar alleen met mensen praten,’ stelde mijn vrouw hem gerust.

‘Ja, gekkie, pappa is toch geen boef meer,’ bracht mijn vierjarig dochtertje in, op een sussende maar stangende toon, zoals alleen kleine vrouwtjes dat kunnen die nog een appeltje te schillen hebben met hun oudere broertje.

De kleine man herpakte zich. Met nog betraande ogen keek hij me nieuwsgierig aan. ‘Ga jij praten met boeven?,’ vroeg hij indringend.

‘Vanmiddag ja.’

‘Maar boeven zijn toch slechte mensen? Waarom ga je praten met slechte mensen? Dat snap ik dus echt niet.’

‘Niet alle boeven zijn slecht, Joris.’

‘Er bestaan dus ook goede boeven,’ concludeerde de kleine man tevreden en gaf zich over aan een wilde achtervolging met zijn speelgoedautootjes tussen ‘slechte pliessies’ en ‘goede boeven’, waarbij het op voorhand duidelijk was welke partij het onderspit zou moeten delven.

 

Wat moet dat een heerlijke wereld zijn waarin het onderscheid tussen goed en kwaad een absoluut gegeven is en waarin de zekerheid bestaat dat het goede altijd zal zegevieren over het kwade. In zo’n wereld is er geen ruimte voor twijfel, geen aandacht voor de omstandigheden die de wereld van goedwillende mensen plotseling op z’n kop kunnen zetten. In dit Walhalla is het idee dat mensen feilbare wezens zijn niet meer dan een absurditeit, zo ook de mogelijkheid dat ‘goede’ mensen af en toe ‘verkeerde’ dingen kunnen doen.

Tot mijn grote schrik besef ik dat de wereld van mijn kleine man in zijn starheid verdraaid veel gemeen heeft met de programmapunten ‘criminaliteitsbestrijding’ van bepaalde politieke partijen. ‘Wij zijn goed, zij slecht,’ koppen hun slogans. ‘Harder aanpakken, dat tuig,’ brullen hun volksmenners. ‘Eens een dief, altijd een dief,’ meent een oude volkswijsheid die hun rigide ideeën schraagt.

Maar mijn kleine man vraagt door, in tegenstelling tot de demagogen, aangedreven door het innerlijk motortje van levenslust en nieuwsgierigheid. ‘Waarom overval je nu geen banken meer?,’ kwekt hij opgewekt, daags na dit voorval, in de overvolle kleedkamer van het zwembad.

Misschien dat ik hem morgen iets vertel over verantwoordelijkheid en vertrouwen en dat je soms dat besef mist, maar dat het ook weer kan terugkomen. Misschien zal ik hem eerst moeten uitleggen dat hij weliswaar de goede vragen stelt, maar de plek uiterst ongelukkig gekozen heeft. In de wereld van mijn kleine man bestaat ook dat onderscheid nog niet.