DAT VIND IK NOU ENG

De Arnhemse Blueband-gevangenis

De Arnhemse Blueband-gevangenis

Onlangs bezocht ik de PI Arnhem-Zuid. Ik was uitgenodigd voor een gesprek met gedetineerden naar aanleiding van mijn nieuwe boek Filosoof in de bajes. De media had maar mondjesmaat aandacht voor dat boek, maar binnen justitiële kringen zorgde de publicatie voor de nodige onrust.

Dat kwam, geloof ik, niet zozeer door wat ik te vertellen had. Want waarom zou je een ex-boef serieus nemen als hij kritiek op gevangeniszaken en het beleid van justitie uit? Hij kan, als een aap die op een toetsenbord loopt te rammen wel eens per toeval een betekenisvol woordje neertikken, maar zo’n ex-gedetineerde – ik dus – wordt vooral gestuurd door kinnesinne. Da’s zo’n beetje de gangbare opvatting. Dus, nee, het lag niet aan mij dat er toch naar dit boek gekeken werd. Eerder was deze aandacht terug te voeren op het feit dat het nogal uitgebreide voorwoord bij mijn boek geschreven is door een voormalige topman in het gevangeniswezen, Bart Molenkamp, ooit regiodirecteur Gevangeniswezen Noord-Brabant en Limburg. En als Bart iets opschrijft, leest justitie even gretig als huiverig ieder woord. Zonder hier verder in details te willen treden, is Bart het in grote lijnen met mij eens: het ontbreekt bij justitie aan een visie op het gevangeniswezen en aan een beleid dat op een gezonde visie gebaseerd zou zijn. Ook in de praktijk is de afwezigheid van zo’n visie duidelijk voelbaar. Bijvoorbeeld: levenslang gestraften die een sollicitatietraining moeten volgen en die bij het geen gehoor geven aan deze verplichting (omdat ze de Nederlandse taal niet machtig zijn) toch op rapport gaan.

 

Zodra ze de naam ‘Bart Molenkamp’ hoorden, gingen enkele oudgedienden er eens goed voor zitten. Ja, die kenden ze wel. Of ze hadden hem zelf van nabij meegemaakt als gevangenisdirecteur, of ze kenden zijn reputatie.

‘Bij Bart moest je niet aan komen zetten met flauwekul,’ wist één zich te herinneren, ‘maar bij Bart had ik altijd het gevoel dat hij me als mens zag. Dat mis ik ontzettend.’

Andere jongens vielen hem bij. En plotseling veranderde de sfeer in het kleine bezinningszaaltje waar we zaten van argwanend bij aanvang naar opgetogenheid. Het ijs was definitief gebroken en de tongen kwamen goed los.

Toen zij na een uur en een kwartier moesten terugkeren naar hun cellen, schudden ze me hartelijk de hand. Onvermijdelijk kreeg ik allerlei verzoeken over me uitgestort. Of ik dit kon doen of dat. Helaas, dat gaat meestal niet. Een jongen staat me nog goed bij. Hij keek me blij aan, kneep me stevig in de handen, en zei: ‘Man, weet je. Zo goed heb ik me in tijden niet gevoeld. Ik voel me weer een mens.’

Kijk, dat vind ik nou eng. Ik hoorde de moed met een luide plof in mijn schoenen zinken. Ik ben natuurlijk blij dat die jongens zich goed voelden, maar dat ze zich weer even ‘een mens’ waanden, hoort natuurlijk niet van een enkeling als Bart of mij af te hangen. Dat zou de grondhouding van het gevangeniswezen moeten zijn. En dat dit klaarblijkelijk niet het geval is, vind ik bloedeng.