EEN SLECHTE JEUGD

Mijn manneke stond hijgend voor me. Hij kwam, ’s avonds om half tien, net thuis na een zomerkamp met zijn klasgenootjes. ‘Weet je, papa,’ pufte hij, ‘het was mooi. ZO MOOI.’ Hij knikkebolde van de slaap, maar zijn blauwe ogen sprankelden fel, wat door de rest van zijn groezelige gelaat geaccentueerd werd. Met een tweede ‘weet je’, waarmee hij tegenwoordig iedere zin aanheft, stamelde hij opgewonden: ‘De juffen hadden niets te vertellen en we mochten doen wat we zelf wouwen doen. Machtig mooi. En er was pannenkoek, cake, stroopwafels en frietjes. Echt gaaf.’ Plotseling verslapte zijn lijfje en viel hij in mijn armen in een diepe slaap.

 

Wanneer een journalist me vraagt naar mijn eigen jeugd, dreun ik een antwoord op dat inmiddels behoort tot mijn standaardrepertoire: ‘Die heb ik gemakshalve overgeslagen.’ Strikt genomen is dat is natuurlijk niet waar, maar ik word niet graag herinnerd aan mijn kloosteropvoeding en de lange uren in een troosteloze strafcel. Maar mijn eigen kinderen drukken mij echter iedere dag weer, gewoon door er te zijn, met de neus op het feit dat ikzelf ook ooit een jeugd had. En ik kan alleen maar dankbaar zijn dat hun zo’n zelfde jeugd bespaard zal blijven, ook al zal ik hier en daar wat andere opvoedkundige tekortkomingen tonen. Toch ben ik er trots op dat wij, mijn vrouw en ik, onze kinderen een jeugd (willen) geven die die naam ook waard is; een tijdspanne waarin we kinderen niet zien als de jongere versies van onvolmaakte volwassenen, maar waarin deze vaatjes van tegenstrijdigheden jong, speels en onervaren mogen zijn, met hun fratsen, grollen en probeersels.

In dit besef zit ook het inzicht besloten waarom ik ‘een slechte jeugd’ niet wil zien als een excuus of oorzaak voor later misdadig gedrag. Het kan namelijk altijd anders. Zo’n bar en boze jeugd kan weliswaar begrijpelijk maken waarom iemand op het scheve pad komt, maar daarmee is een strafbare daad nog niet te rechtvaardigen noch wordt duidelijk wat nu echt de trigger van iemands gedrag is of was. Er zijn ook nog andere redenen om ‘een slechte jeugd’ als een lulkoekverhaal af te doen. Allereerst is dit vaak de bevoogdende opmerking van een buitenstaander over persoonlijk leed, terwijl het om iets gaat waarmee jezelf in het reine moet zien te komen en niet iemand anders. Ten tweede bestaan er mensen zat, zonder de geneugten van een noemenswaardige jeugd, die later geen crimineel gedrag vertonen. En ten derde – het ergst van al – dient zo’n verhaal over een ‘slechte jeugd’ maar al te vaak als stoplap. Het sust mensen in slaap, in plaats van dat ze iets gaan doen tegen de slechte jeugd die wij honderdduizenden kinderen bezorgen. En ook al zie ik voor een individuele dader geen directe relatie tussen ‘slechte jeugd’ en delict, daar beschouw ik mensen die kinderen willens en wetens met de last van een rotjeugd opzadelen als de grootste misdadigers van deze wereld. Zij beroven die kinderen van hun kostbaarste goed: het opbouwen van vertrouwen in de medemens. En zonder dat vertrouwen zet je kinderen, bij aanvang van hun leven al, op een bijna onoverbrugbare achterstand. Een misdadige praktijk.