DINGES

 

Dingen

Een zeker teken van vermoeidheid bij mijn vrouw, die normaliter goed van de tongriem gesneden is, is als ze lopende zaken begint aan te duiden met ‘dinges’. Ze zegt dan dingen als ‘schat, weet jij waar de … ehhh dinges zijn?’ Of, als ze erg vermoeid is: ‘zeg dinges, heb jij de … dinges gezien?.’ Eens het zover is, weet ik dat ik het antwoord ‘nou gewoon, onder de D’ voor me moet houden, wil ik nog iets van ons serviesgoed heel houden. Ik, daarentegen, gebruik het woord ‘dinges’ nauwelijks. Eigenlijk doe ik dat alleen maar als ik van iets zo overstuur ben, dat woorden mij op dat moment te kort schieten. Pas later, veel later, ben ik dan soms, niet altijd, in staat om onder woorden te brengen wat me nu zo dwarszat. Zoiets gebeurde me van de week ook.

Ik zag … dinges, in dit geval live-opnames vanuit een rechtszaal in Den Haag waarin de ouders, familieleden en kennissen van een dertienjarige jongen die was overleden na een aanrijding losgingen op de dader. De bom barstte na het requisitoir van de Officier van Justitie waarin zij 240 werkstraf, vier maanden voorwaardelijk en drie jaar rijontzegging eiste tegen de 21-jarige Bulgaar Milen Y. Ongeveer veertig man probeerden de Bulgaarse jongen daarna te lynchen, onder het uitslaken van kreten als: ‘Zij leggen jou geen doodstraf op, nou dan doe wij dat wel.’

In dit geval interesseerden de juridische bijzonderheden van de zaak mij niet, maar des te meer de vergoelijkende uitleg die een persofficier van justitie na afloop gaf. ‘De jurisprudentie wijst uit,’ zo begon die ‘gezagsdrager’, ‘dat er hier, zeker in vergelijking met andere overeenkomstige zaken, een zeer hoge strafeis geformuleerd werd.’ Dit was voor mij het ‘dinges-moment’. Deze uitspraak vertegenwoordigde, zo drong later tot mij door, het failliet van de Nederlandse rechtspraak. Een onschuldig kind stierf en jij hebt het over een procedurele rechtsgang, zonder die ouders, in hun verdriet, ook maar een ogenblik serieus te nemen?, dacht ik. Geen wonder dat die ouders, plus aanhang, probeerden om het recht in eigen handen te nemen, want zo’n antwoord van een persofficier noch de eis van het OM hebben iets te maken met rechtvaardigheid. Hebben die mensen enig idee wat het betekent als je kind sterft? Door toedoen van een ander? Dat los je niet op door te zeggen, ‘het Wetboek van Strafvordering schrijft voor …’

In Nieuw-Zeeland doen ze dat anders, zag ik laatst tijdens een documentaire over herstelrecht. Er was sprake van een vergelijkbare zaak. Daar was een zesjarige jongen, tijdens het achteruit inparkeren, door een automobilist niet opgemerkt, met de dood van de jongen als gevolg. En toen zag ik iets gebeuren wat tegelijk zo ontroerend en zo waar is, dat het me even ‘dinges’ deed zeggen. De familieleden van de overleden jongen waren helemaal de kluts kwijt, maar niemand kwam op het idee dat de ‘dader’ zoiets opzettelijk gedaan zou kunnen hebben. Wie doodt er nu met graagte een kind? Ook voor de verantwoordelijke chauffeur, zo was hun idee, moest het voorval verschrikkelijk zijn. En dat was ook zo. Gezamenlijk gingen de familieleden van beide partijen rond de tafel zitten om te proberen om tot een leefbare oplossing voor iedereen te komen. Het verdriet om de dood van de jongen blijft bij iedereen bestaan, vooral bij de moeder maar ook bij de dader, maar ze hebben elkaar wel gezien als mondig mens, niet als ongedierte versus rattenverdelgers.

Zou hierin de toekomst van de Nederlandse rechtspraak kunnen liggen?