DE VEER VAN EEN KANARIE

Kanarie

 

Verleden jaar liet de gevangenispredikant van Het Wolvenplein mij een geschenk zien dat hij van een gedetineerde had gekregen: een lucifersdoosje met daarin de veer van een kanarie. Hij was er dolblij mee.

Om hun eenzaamheid wat te verlichten mogen langgestraften een ageponnes of een kanarie op hun cel houden. Zo’n jolig diertje, met van die vrolijke kleurtjes, fleurt het fletse interieur van de cel wat op. Als dit gevogelte kon praten, dan zou het verhalen kunnen vertellen waar justitie van zou gaan blozen. De beestjes doen dienst als de praatpaal waar de gedetineerde, onschuldig of terecht veroordeeld, zijn ei bij kwijt kan. Tevens zijn zij zijn biechtvader. Hij verklapt ze zijn geheimen, zijn woede en frustratie, zijn verlangen naar vrijheid en boetedoening, zijn hoop en wanhoop, het schuldgevoel dat hem dwarszit, het ongeloof van zijn veroordeling, ze krijgen zijn ergernissen over het leven van alledag in een strafinrichting te horen, maar ook alle pijnlijke details van zijn misstappen en ze worden ingelicht over de inhoud van de brief die zijn dochter verleden week aan hem schreef, wat hem bijna dreef tot zelfmoord, en omdat de kanarie de inhoud van het gezegde toch niet kan door vertellen, is deze korte stonde waarin een mens de biecht doet bij een dier één van de zeldzame momenten waarop een langgestrafte volstrekt eerlijk kan zijn zonder de angst te hoeven voelen daarvoor bestraft te worden. Tegenover iemand anders, een mens, kan hij nooit zo oprecht zijn, op straffe van voor een zwakkeling te worden aangezien, of een zwaardere strafoplegging te krijgen. Dit beestje, zijn makker, wordt dan ook aan alle kanten vertroeteld en deelt lief en leed met de gedetineerde. De lekkerste hapjes houdt hij apart voor zijn vogeltje en zelfs de gevangenisbewaarders zijn hem ter wille om wat zangzaad te bemachtigen.

Wanneer een kanarie, na een jaar of tien, dertien, aan het eind is gekomen van zijn natuurlijke levensloop, blijft de gedetineerde ontredderd achter. Het zal misschien nog zo’n tien jaar duren voordat hij weer op vrije voeten zal komen te staan en het vooruitzicht van al die eenzame uren die tergend langzaam in weken, maanden en jaren overgaan, drukt zwaar op hem. Een enkele gedetineerde probeert dan ook uit alle macht om zo snel als mogelijk is een nieuwe kanarie te bemachtigen; de ander wil hier niet aan. Hij beschouwt dit als verraad. Hij rouwt om het verlies van een dierbare vriend, zijn enige vriend. Behalve de dood van een vogeltje staat er ook nog iets anders op het spel voor hem. Als hij schuldig is, had hij de buitenwereld sowieso niets meer te zeggen, er zou trouwens niemand naar hem luisteren; en als hij onschuldig is, zou hij de woorden niet kunnen vinden om aan anderen uit te leggen in welke hel hij zich nu bevindt. Dat maakt dat met het wegvallen van zijn maatje het voor hem niet meer mogelijk om zijn dankbaarheid te tonen jegens de mensen bij wie hij het gevoel heeft dat hij daarbij in het krijt staat. Waar woorden tekortschieten, kon hij ooit terugvallen op een gebaar. Hij kon, met veel gevoel voor ritueel, symboliek en een uitgekiende timing, het object van zijn dankbaarheid een kostbaar kleinood meegeven, zorgvuldig verpakt in een luciferdoosje waarvan de bodem bedekt werd met zachte watten: een heuse veer van zijn kanarie. Want dat is de enige gift die een langgestrafte zijn omgeving, de Nederlandse samenleving, nog te bieden heeft. Als dat niet meer kan, hult hij zich voorgoed in stilzwijgen.