DE HALFLANGE ZWARTE WINTER ALS STRAF EN GENOT

Rammenas

 

Op dit moment lijkt het alsof er rode mieren door mijn aderen kruipen en mijn bloed tot koken aanzetten. Tintelende vingertoppen als gevolg van hyperventilatie. Onlustgevoelens bij het vooruitzicht van een culinaire explosie. De aanleiding was de herinnering aan een vers dat ik in mijn studententijd gelezen had, een gedicht van Oswald Spengler. ‘Rammenas en mijn groenteman,’ heette het, geloof ik. Het begon als volgt:

 

‘Bij een van mijn al te zeldzame bezoeken aan hem, viel mijn oog op een zwart stuk knolgewas.

Wat mocht dat wel zijn, langgerekt als een schorseneer?

Toch de dikte van een komkommer, maar dan zwart als smeer.

Niet zozeer appetijtelijk als wel intrigerend ogend, zonder meer.

Mijn brein maakt overuren. Voelt aan als was.’

 

Hoe de strofen verder liepen, kan ik me niet precies herinneren. Het had vast iets te maken met de vruchten des velds. Wellicht handelde het over een verloren gewaande Japanse wukkie-wukkie? Een grondbanaan of aardpeer in hun nadagen, misschien een archeologisch fenomeen dat ten onrechte voor iets eetbaars werd aangezien? Ik kreeg een flashback van die woorden. Dat weet ik nog wel.

Het beeld van mijn oom Teun, in de keuken staand, net na zijn vrijlating uit de gevangenis wegens zijn dienstijd bij het Vreemdelingenlegioen en verzet bij aanhouding toen hij, de stateloze, illegaal terugkeerde naar Nederland. Walmend naar goedkope whisky snijdt hij aandachtig een schijfje van een zwarte knol, besprenkelt het met zout en vermaalt het product met een riante glimlach tussen zijn krakende kaken. Zijn gezicht vertrekt subiet tot een grimas. Een wisse doodstrijd kerft zijn gelaatstrekken. Hij fluistert mij happend naar adem toe: ‘Rammenas jongen, lekker, maar je moet er wel wat bij te zuipen hebben.’

 

Een welgemeend eerbetoon aan de rammenas van deze paria, mijn oom. Wat nou uitheemse groenten, knollen, bollen en stengels, waar we de inheemse flora veronachtzamen en in dedain neerkijken op posteleinvreters. Waar zijn ze, de snijbiet, de melze, de raapstelen, de rammenassen, de pastinaken en andere Oer-Nederlandse delicatessen? Nee. Het moeten tegenwoordig kumquatjes zijn, Osmaanse aardperen, en andere even oneetbare, want te onrijp geoogste sterrefruitachtigen, bestaande uit meloomena’s, carambola’s, guarana’s en andere ooftsoorten, gekweekt in bedompt riekende orangerijen, in couscoussaus gesmoorde pseudolekkernijen, waarvan de naam alleen al de meest vreselijke abcessen voor het geestesoog doet verschijnen.

Maar daar lag hij opeens weer in het groentenschap: de rammenas, vroeger in de gevangenissen beter bekend onder zijn ronkende bijnaam ‘de halflange zwarte winter’, vanwege de seizoensgebondenheid van deze groente. Etenswaar voor echte mannen, zo wist ik instinctief. Hier rauw je tanden in te zetten vereist durf en stalen zenuwen, met als beloning straf en genot.

 

Gisterenmiddag op de Dappermarkt. Voor een luttel bedrag viel dit bonkig stuk landgewas mij ten deel. Thuisgekomen en schoongespoeld. Schijfje afgesneden, net als oom Teun. Zout erop, testament gemaakt en ferm toegehapt.

Een smaak als een soort kruising tussen radijs en venijnige Japanse mierikswortel met wasabisaus. Spontane ideeën over wurgseks. Kloppende slapen. Zweet, ademnood, hartkloppingen, sterretjes voor de ogen, tegen heug en meug doorslikken en dan … aaaarrhhhhhhh. Culinaire hellepijn tot in het puntje van mijn tenen.

 

GOOD LORD ALMIGHTY !!!!! YESSSSSSSS

 

En na deze proeverij begreep ik opeens ook waarom dit gewas uit de gratie was geraakt, naarmate de Nederlandse man van de Schonkige Kerel, die hij was in de jaren -50 en -60, verwerd tot de centraleverwarmingneuzelmiet waar de Nederlandse vrouw het nu mee moet stellen. Zo ontdekte ik op een doordeweekse dag een lineair verband tussen dood en leven, tussen straf en vrijheid, pijn en genot, kortom: tussen het aanbod en de omzet in rammenassen en de kwaliteit van De Man in een gegeven populatie. Nietzsche had gelijk. Volkomen. Daar waar ramenassen worden verkocht en gegeten, leven echte Kerels, Venten, Mannenbroeders, Jongens van Stavast, mannen die gelijken op Conan de Barbaar, daar wordt de herinnering aan Ernst Jungers In Stahlgewittern levend gehouden …. en daarom ligt het percentage echtscheidingen daar zeker elf procent lager dan het landelijk gemiddelde.

Ook oom Teun had gelijk. Rammenas. Lekker. Maar je moet er wel een flinke neut bij drinken om die afgrijselijke nasmaak het hoofd te kunnen bieden.