CONTRATERREUR

Opstelten

‘Zwaarder straffen werkt absoluut preventief,’ garandeert Ivo het stemvee. Het enige wat de burger hoeft te doen, want ook aan veiligheid hangt in de vrije markt een prijskaartje, is dat hij het de wetgever toestaat om wat van zijn burgerlijke vrijheden af te knabbelen, de uitwisseling van vrijheid voor veiligheid. Dat proces is al sinds lang gaande, want aan de wieg van de moderne ideeën die onze rechtsstaat ondermijnen staat geenszins het populistische gedachtegoed van iemand als Geert Wilders, maar de geestelijk vader hiervan is de o zo brave CDA’er Piet Hein Donner. In dagblad Trouw (25 oktober 2003) kopte de verongelijkte bewindsman:

‘Verdachten worden echt niet geboren met allerlei rechten. Wat is nog recht als je moet kiezen tussen enerzijds de bescherming van verdachten en anderzijds de bescherming van de samenleving tegen mensen die misdrijven willen plegen? Je kunt de overheid toch niet met de handen op de rug gebonden tegen de criminaliteit laten vechten?’

Dat is me nogal een uitspraak. Volgens Donner zijn verdachten, dat is, mensen van wie de schuld nog niet vaststaat en nog bewezen moet worden, rechteloos. Wat Donner daar in feite zei is: L’ état, c’est moi, Heintje Donner. Je verwacht toch dat de man behalve wat verstand van strafrecht ook wat verstand zou hebben van staatsrecht? Hij moet weten dat in het Nederlands staatsrecht terug te lezen valt dat ‘verdachten’ toch echt wel met allerlei onvervreemdbare rechten geboren worden, net zoals ieder ander die nog niet verdacht is in Donners ogen. Het zelfbeschikkingsrecht, een fundamenteel vrijheidsrecht, dat wil zeggen het recht van ieder mens om zijn eigen keuzes te maken, in welke omstandigheden dan ook, zonder daarin door de overheid belemmerd te worden, is namelijk een natuurrecht (iets wat de mens van nature gegeven is) en een grondrecht, zoals opgenomen in de grondwet. Dat er misschien goede filosofische redenen zijn aan te voeren tegen het bestaan van ‘natuurlijke rechten’ neemt nog niet weg dat ze verankerd liggen in onze grondwet, datzelfde constitutionele recht dat Donner geacht wordt te beschermen. En dat dit natuurrecht de overheid noopt om met een handicap de strijd aan te binden tegen de misdaad, desnoods met de handen op de rug gebonden, net zoals Vrouwe Justitia op geblinddoekte wijze haar werk moet doen – juist om verdachten tegen willekeurig ingrijpen van de overheid te beschermen – vraagt misschien om een wat krachtdadiger minister van Justitie. Hij zou, als hij van mening is dat hij, zogezegd, in een Ford T moet concurreren tegen bolides, het strafrecht naar behoren moeten updaten en niet eigenmachtig de grondwet willen wijzigen. ‘En daarmee zult u het moeten doen’, zou de rijdende rechter zeggen.

Toch is in 2004 de Wet Terroristische Misdrijven er doorheen gedrukt, dankzij Donner, waarin er geen sprake meer hoeft te zijn van voorbereidingshandelingen voor het verrichten van een strafbaar feit met ‘terroristisch oogmerk’ maar dat alleen de intentie zoiets te doen op zich genoeg is om strafrechtelijk vervolgd te kunnen worden. ‘Wie in een overmoedige bui samen met een aantal vrienden zijn ongenoegen uitspreekt over het bezuinigingsbeleid van de regering en in het opblazen van het ministerie van Financiën een geschikt middel ziet om hieraan een einde te maken, loopt al het risico om vervolgd te worden wegens samenspanning tot een terroristisch misdrijf,’ merkte de advocaat Britta Böhler op in haar boek Crisis in de rechtstaat. Dit is niet slechts een aanfluiting van onze rechtsorde maar een levensgevaarlijke stap in de richting van een maatschappij waarin wij allemaal gebombardeerd worden tot verdachten en hun potentiële slachtoffers. Ook dit zal een samenleving zijn waarin eens slapende verschrikkelijke energieën het volk in zijn greep weten te houden, gelijk de Raad der Beroerten in een ver verleden alle onwelgevallige elementen wegzuiverde waarna de Inquisitie dit nog eens dunnetjes overdeed. In zo’n samenleving zal het rechtsevenwicht ver te zoeken zijn. Onder deze nieuwe wet heeft de burger het bijvoorbeeld maar goed te vinden dat hij preventief gefouilleerd wordt, ook al bestaat er tegen hem geen gerede verdenking, op basis van de overweging: als iemand onschuldig is, heeft hij toch niets te verbergen? Ons land heeft de twijfelachtige eer dat wij een gevangenis bouwden om een vermeend misdrijf heen, de zogenaamde TA (Terroristenafdeling Vught), in navolging van Guantanomo-Bay.

Dit zijn voorstellen en initiatieven die voor eenieder bij wie een liberaal hart in de borstkas klopt het schrikbeeld van de Leviathan moeten vertegenwoordigen: het staatsmonster dat zijn eigen kinderen opvreet. En wij, met z’n allen, op de enkele uitzondering na, pikken dat. Letterlijk stemmen we stilzwijgend met die overheersing in, alsof we niets geleerd hadden van Rousseau’s waarschuwende woorden in zijn Vertoog over de ongelijkheid:

‘Allen liepen met open ogen hun ketenen in, terwijl ze dachten dat ze hun vrijheid zeker stelden, want hoewel ze voldoende verstand hadden om de voordelen van een politieke regeling in te zien, hadden ze niet genoeg ervaring om de gevaren ervan te voorzien. (…) Zo (…) moet de oorsprong zijn geweest van de samenleving en van de wetten die nieuwe kluisters gaven aan de zwakken en nieuwe krachten aan de rijken.’

Vervang het woord ‘vrijheid’ in dit citaat door ‘veiligheid’ en Rousseau’s woorden worden plotseling verrassend actueel.