BOHEMIAN RHAPSODY

queen-bohemian-rhapsody-114937_7585

 

Tienduizenden liedjes, boeken en films verschenen er in de loop der tijd over gevangenissen en gevangenen. Onvergetelijke films als The Shawshank Redemption en The Green Mile (beiden gebaseerd op boeken van Stephen King) genieten de welverdiende reputatie dat ze klassiekers vertegenwoordigen in hun genre, terwijl sommige boeken onder de babyboomers zo populair werden dat je rustig mag zeggen dat die titels als ‘meme’, als semantische cultuurdrager, in de geest van een generatie gegrift staan, denk aan A Clockwork Orange van Anthony Burgess. Voor liedjes geldt nagenoeg hetzelfde verhaal. Onze grootvaders- en moeders stonden op de muziek van Jailhouse Rock (Elvis Presley) hun heupen los te schudden, zoals hun kleinkinderen nu chillen bij raps van Kempi.

Al die mediadragers handelen over één van de meest krachtige metaforen aller tijden, de gevangene als zinnebeeld van de held die worstelt met … zijn omgeving, zijn ouders, de knellende banden van een kleinburgerlijke opvoeding, de sleur van het gezin, de tragedie van het gevecht tegen de bazige bierkaai, het drama van verkeerde keuzes, de psychologische Titanenstrijd met de afnemende betekenisvolheid van het leven, de boetedoening, met van alles en nog wat. Op de een of de andere manier voelen wij ons allemaal gevangenen, zoals we ons ook allemaal een held wanen. We are alle prisoners here of ouw own device, klinkt de enigszins belerende tekst van Hotel California van The Eagles, alsof iedere wending in ons leven op onze eigen vrije wil zou berusten.

Nu doet zich de rare situatie voor dat het beeld van de gevangene en de gevangenis als metafoor volkomen geaccepteerd is – je mag er, als artiest, als schrijver of als regisseur, zelfs mee koketteren – maar o wee als die stijlfiguur de werkelijkheid te dicht benadert of daarmee dreigt samen te vallen. De lezer/kijker/luisteraar wil zich kunnen herkennen in het romantische beeld wat hij van de gevangene in zijn gevangenis heeft, een beeld dat hem tevreden stemt, maar je moet het vooral niet over de werkelijke ontberingen van werkelijk bestaande gevangenen hebben. Dat interesseert niemand een hol. Wat helemaal taboe is, is te suggereren dat wij de kritische geluiden van (ex)gevangenen op het systeem maar beter serieus kunnen nemen, tenzij ze Vaclav Havel of Nelson Mandela heten, want met die laatste twee sympathiseren is politiek correct.

Onder zo’n denkbeeld over feit en fictie omtrent gevangenen gaan twee filosofische misverstanden schuil. Ten eerste gaat het hier om twee verschillende manieren om naar de werkelijkheid te kijken, een geruststellend romantisch beeld en een verontrustend want Kafkaësk plaatje, en niet slechts om één beeld dat gecontrasteerd moet worden met ‘hoe het echt is’. Ook mensen die een uitvoerige studie van gevangenen maken, krijgen slechts een beeld te zien en niet de gehele werkelijkheid. Ten tweede staat dit type overwegingen bekend als ‘de sentimentalistische drogreden’: je huilt om de fictie terwijl de feiten je Siberisch koud laten. De voormannen van de Maatschappij ter Zedelijke Verbetering der Gevangenen (in 1946 omgedoopt tot ‘reclassering’) hadden daar patent op, blijkens hun praktijk om enerzijds gevangenen dood te vervelen met hun stichtelijke onzinpraatjes, terwijl ze anderzijds verdomde goed op de hoogte waren van de gewoonte onder rechters om vonnissen alvast voorbedrukt klaar te hebben liggen, geduldig wachtend op de naam van de sul die in hun kleffe handjes zou vallen.

Een stuk erger wordt het begaan van die drogreden als mensen zover gaan dat ze de werkelijkheid, bezien vanuit hun perspectief, dusdanig willen manipuleren zodat het resulterende beeld maar geen wanklank oproept bij de heersende opvattingen. Drie voorbeelden schieten me in de goeie gauwigheid te binnen.

 

  • Bij publicatie van A Clockwork Orange wilde de toenmalige uitgever het laatste hoofdstuk van het boek, getiteld Chapter 21, niet opnemen omdat Alex, de criminele hoofdfiguur, daarin serieuze pogingen onderneemt om een normaal leven, zonder misdaad, op poten te zetten. ‘Dat gelooft het publiek niet,’ kreeg de nog jonge Burgess te horen. Weg met de nuancering.
  • Johnny Cash is natuurlijk wereldberoemd geworden met zijn San Quentin you’ve been living hell to me, ofschoon hij nog geen dag van zijn leven doorbracht als gevangene. Maar deze zelfde man, die beweerde zijn hele leven voor de rechten van Indianen en gevangenen te willen strijden, zag er tezelfdertijd niet tegenop om een karikatuur te schetsen van zijn zorgenkindjes. In het ‘live’ opgenomen Folsom Prison Blues, bijvoorbeeld, komt de strofe voor: ‘I shot a man in Reno just to watch him die’, wat door de ‘gevangenen’ op de LP begeleid werd met veel hoeraatjes en geklap, alsof het aanmoediging zou verdienen om iemand overhoop te knallen en dan zijn doodstrijd rustig gade te slaan. In werkelijkheid, en dat vertelde Cash er niet bij, werden deze geluiden, ingesproken door ingehuurd klapvee, er tijdens de montages doorheen verwerkt. De gevangenen hielden zichzelf, uit angst voor zware represaillemaatregelen, tijdens de optredens van Cash muisstil.
  • Queen, en dan met name Bohemian Rhapsody, spant de kroon als het gaat om versterking van het stereotype misdadiger.

Kijk nou eens naar de tekst van Freddy Mercury:

Mama, just killed a man

Put a gun against his head

Pulled my trigger, now he’s dead

Mama, life had just begun

But now I’ve gone and thrown it all away

Mama, ooo

Didn’t mean to make you cry

If I’m not back again this time tomorrow

Carry on, carry on, as if nothing really matters

Los van het feit dat ik dit muzikaal als één van de betere nummers in de gehele Westerse popgeschiedenis beschouw, met een fantastisch arrangement, een subliem uitgevoerde rapsodie tussen ballade, opera en hardrock, een instrumentbeheersing die de luisteraar met open mond doet staan van bewondering en de stem van een retegoede zanger in topvorm, is de tekst, hoe goed die dan ook ritmisch loopt, in inhoudelijk opzicht bagger. Deze tekst handelt niet over een bohemien, maar over een gestoorde gek die een moord pleegde.

Strikt genomen gaan deze woorden over een moederskindje die, om motieven die het vermelden klaarblijkelijk niet waard zijn, iemand anders een pistoolloop tegen het hoofd zette en de trekker overhaalde. Een gevalletje van zinloos geweld. (Het publiek zwijmelt, maar zou iemand dat in werkelijkheid doen, dan gilden we moord en brand.) Voorts maakt de jongeling, die al eerder in de tekst met zoveel woorden zegt dat hij een ‘zo de wind is, zo waait mijn jasje-type’ is, zich vooral zorgen over het verdriet wat hij zijn moeder heeft aangedaan en legt hij, even verderop in de tekst, een niet benijdenswaardige grootheidswaanzin aan de dag door te menen dat Beëlzebub hem voor zijn euveldaad een daartoe speciaal opgeleide demon op z’n dak zal sturen, waarbij hij, in een schijntribunaal, voor niemand minder dan Gallileo dient te verschijnen, met een vriendelijk verzoek aan Scaramouche of die voor hem een fandango wil spelen. (Die is geheel van Lotje getikt, zouden we zeggen, als het niet over Freddy Mercury zou gaan.)

Maar de ergste stereotypering van de misdadiger is wel dit: het gaat er in het liedje de gehele tijd over hoe erg de moord wel niet is voor hem, de dader, aan het slachtoffer maakt hij geen woord vuil.

Hoe anders is de werkelijkheid. Dat kan de lezer voor zichzelf vaststellen door eens in de gevangenis op bezoek te gaan bij een echte moordenaar. U zult verrast opkijken. In de meeste gevallen tref je dan een berouwvol wezen aan.